Interview Judith van Amerongen

Vertel eens kort over jezelf.

Nou, ik ben inmiddels 41 jaar, heb rechten gestudeerd en tien  jaar in die branche gewerkt. Ik kwam er snel achter dat dat niet helemaal mijn ding was en besloot toen ‘iets leuks’ te gaan doen; iets dat wat meer bij mij paste. Van alles gedaan, maar nu zijn dat dus het geven van schaaklessen aan scholen en aan iedereen die daar interesse in heeft.

Hoe lang ben je al bezig met schaken?

Ik ben op mijn zesde jaar begonnen door een oom die mij het spelletje leerde. Ik had toen ook schaak les op de basisschool en het spelletje sprak me aan en ben toen lid geworden van een schaakclub. Dat was nog echt zo’n ouderwetse club met veel – in mijn ogen destijds – bejaarden. Ik kan me nog herinneren dat er veel gerookt werd (jaja, dat kon toen nog) en daar had ik echt last van. Toen ik dertien was, besloot ik te stoppen en heb me helemaal op het hockeyen gestort. Op een redelijk hoog niveau. Via internet heb ik toch langzamerhand het schaken weer opgepakt. De hang naar het spel sluimerde blijkbaar nog steeds. Via een stukje in de plaatselijke krant ben ik toen lid geworden van Utrecht Oud Zuylen.

Hoogste rating?

1750 dacht ik.

Als je aan vrienden vertelt dat je schaakt, hoe wordt daar dan op gereageerd?

Die snappen er soms helemaal niets van(!) Het beeld van de schaakwereld bij mijn vrienden/vriendinnen is toch: ‘dat zijn toch allemaal vreemde snuiters ? Hoe kan jij nu urenlang achter zo’n bord zitten?’ Toch vinden ze het gek genoeg ook wel stoer dat ik schaak: als vrouw tussen ‘al die mannen..’.

Clubschakers zijn nogal, laten we zeggen, geen doorsnee types, of vind jij van niet?

Ze zijn idd niet helemaal een afspiegeling van de maatschappij: je hebt er hele speciale types bij, extreem zelfs, maar schaken is toch ook een sociaal gebeuren. Die verschillende types maken een schaakclub juist zo leuk. Een hockeyclub bijvoorbeeld is toch vaak ‘meer van hetzelfde’. Op een schaakclub laat iedereen elkaar in zijn waarde en dat is nu juist wat mij zo bevalt. Utrecht Oud Zuylen en het HSG bijvoorbeeld zijn clubs waar ik mij bijzonder thuis voel. Gewoon gezellig!

Dus je vind het leuk om lid te zijn van deze club?

Heel leuk.. ik zie nl. dat er veel gebeurt; veel initiatieven etc. Wat vooral leuk is – als je het vergelijkt met andere clubs- is dat er voor ‘mindere’ schakers alle ruimte is. Je wordt niet afgerekend op je niveau. Iedereen laat elkaar in zijn waarde. Bovendien geef ik er nu natuurlijk les. Hartstikke leuk!

Vind je dat je beter wordt?

Het gaat wel weer steeds beter, maar lange partijen kosten mij wel veel moeite. Snelschaken vind ik toch het leukst; lekker op je gevoel/impulsen schaken.

Blijf je nog lang lid?

Ben ik wel van plan; ik heb het reuze naar mijn zin.

Tot slot: “vrouwen kunnen niet schaken (Donner..)”. Vind je zo’n uitspraak in de categorie # metoo thuishoren?

Totaal niet!! Ik heb zoiets van: ‘kom maar op’..  In principe kunnen we even goed schaken als mannen, maar vrouwen hebben niet de neiging om voor een ding te gaan. Mannen kunnen zich wat meer op een ding richten. Meisjes bijv. hebben wat minder met competitie. Ik kende destijds zelfs meisjes die om die reden (competitie) zijn gestopt met schaken. Ik had contact met een jonge vrouw van begin twintig die kampioen was geweest in de categorie tot twaalf jaar. Die is gestopt vanwege ‘het moeten’..  Ik stop niet, want ik ‘moet’ niets.

Interview door: Huib Jochems