Interview Rob van der Waall

Een leven met wiskunde – Dr. Rob van der Waall, een ras-analysator

Dr. Rob van der Waall, de man van ‘het toevallige van het toeval in een leven met wiskunde’, maar een zekerheidje op de 64 velden. Het is bijzonder om Rob van der Waall te interviewen: research blijkt volstrekt overbodig. Je wordt ontvangen met een indrukwekkende stapel persoonlijke informatie, maar die blijft onaangeroerd. Hij weet echt alles uit zijn hoofd, tot en met volledige partijen met alle data.
Eerlijk gezegd vroeg ik me gaande het gesprek af hoeveel gigabyte er in zijn hersens rondwaren. In alles voldoet hij aan het profiel van zijn vak, namelijk een gedreven wiskundige. En hoewel met pensioen, is hij nog steeds bezig met zijn oude vak. Reeds 75 publicaties heeft hij op zijn naam staan en nu is hij – gepensioneerd en wel – bezig met de afronding van een onderzoek genaamd ‘The classification of the finite groups whose subgroups of equal order are conjugate’. Iedereen weet dat het hier om algebra gaat, maar toch… Zijn  link beroep-schaken is dat hij een bijna onovertroffen ras-analysator is.

Hoe lang ben je eigenlijk al lid van het HSG?
Sinds 1977, pas het jaar daarop ging ik extern spelen

Dat is eigenlijk nog niet zo lang,
Ho, wacht even, ik speel al vanaf 1953. Ik heb zelfs nog meegedaan aan de Haagse jeugdkampioenschappen.

Je schaakverleden ligt dus in Den haag , of…
Aanvankelijk wel ja, maar al snel speelde ik voor het LSG, waar ik in het eerste speelde in de eerste klasse. Dat was toen de op een na hoogste klasse binnen de KNSB. Daarna ben ik nog gaan spelen voor SMB (Nijmegen).

Hoe kwam je dan uiteindelijk bij het HSG terecht?
Nou ja, op een gegeven moment ben je uitgestudeerd en kwam ik in Amsterdam op de universiteit te werken. Ik woonde toen in Huizen en wilde schaken. Een min of meer toevallige ontmoeting met Jan Hogenbirk zorgde er voor dat ik naar het HSG ging en niet naar het BSG.

Hoezo?
Laat ik zeggen dat ik destijds  tegen/met BSG’ers speelde. Er gebeurde iets -waar ik hier niet op in ga- waardoor ik besloot het advies van Jan Hogenbirk op te volgen. Nooit spijt van gekregen.

Nu ben je inmiddels iemand van vroeger. Zie je verschillen met het nu?
Het eerste dat opvalt, is dat het niveau van de jongeren enorm gestegen is door het gebruik van computers. Veel van de ouderen zijn inmiddels verdwenen, dus je speelt vaak tegen dezelfden. De speelsterkte in het algemeen is enorm toegenomen door al die computers. Vroeger kon ik gewoon de boekjes bestuderen en dat kan natuurlijk nog steeds, maar daardoor echt sterker worden, is over.

Dus boekjes hebben geen zin meer?
Kun je natuurlijk altijd in blijven kijken, maar programma’s zijn veel completer en vooral veel sterker en directer.

Je bent een echte wiskundeman, toch? Tekent dat je leven?
Voor een deel, om te beginnen was ik enig kind en dus moest ik heel veel zelf ontdekken. Dat was eigenlijk veel belangrijker.

Zoals?
Laat ik zeggen dat ik aan die ontdekkingstocht een motto overgehouden heb, namelijk: ‘als je zelf niets onderneemt, gebeurt er ook niets’. En dat heeft gewerkt. Zo heb ik op mijn werk ooit iets ondernomen en tot mijn stomme verbazing bleek dat te werken.

Ondernomen?
Ja, laat ik zeggen dat mijn toenmalige baas iets niet wilde en ik wel. Toen heb ik heel brutaal eisen gesteld. Binnen een week kreeg ik precies wat ik wilde. Dus ik ontdekte dat voor jezelf opkomen absoluut werkt.

Even terug naar de club, wat is nu eigenlijk het meest memorabele moment binnen het HSG?
Ik was toentertijd teamleider van het vierde team bij een wedstrijd in Zeist. Een beslissende partij moest afgebroken worden. Dus… afbreken of arbitreren? Ik zag meteen dat het voor ons verloren was (een paardeneindspel). Tsja, hoe ging dat toen, er werden een paar zetten bekeken door de arbiter en de andere teamleider na afloop. Ik deed mee met de analyse en deed toen echt een paar blufzetten, waarna ter plekke tot remise werd besloten. Wat hebben we gelachen zeg, op de terugweg in de auto.

Maar nu jezelf; mooiste zet, mooiste partij?
Ik kan me herinneren dat ik in 1985 tegen Olaf Ephraim een partij speelde, waarin ik met een koningszet hem trachtte te verleiden tot torenwinst.  Hij ging er niet op in. Indien wel, dan zou hij na zo’n 25 zetten hebben verloren als die zetten op het bord waren gekomen; zulks bleek pas bij analyse in 2011. Voorts denk ik aan een partij tegen K.A.Riepma die werd gepubliceerd in De Schakel nr. 38, april-mei 1988. Daarin speelde een probleemachtig tussenschaak een rol. Wat me ook zeker bijblijft, is een beslissende promotie van een pion tot paard in een partij tegen Jorgen Henseler uit 2007; mijn enige paardpromotie tot dusverre. Een heel typische eindspelstelling vanwege het motief, is die uit een partij tegen J.Kalma (HSG Open, 2012) .
Stelling: Wit: Ka3, Pf4, pionnen b4, d4, h4; Zwart: Kf7, Ld7, pionnen a4, b5, f6, h7.
Ik speelde met wit en kon remise houden door het idee te onderkennen, dat de zwarte K nergens kan inbreken in de witte stelling, juist doordat hij hinder ondervindt van zijn eigen pion op f6 (als deze nl. op enig moment naar f5 zou worden geschoven, dan geldt hetzelfde) en dat wit alleen maar met zijn K tussen a3 en b2 heen en weer hoeft te spelen.
Een barrièrepatroon noem ik dat, de zogeheten Haagse Muur.

 Wat vind je nu van de club, het -laten we zeggen- schaakgebeuren?
Nou, om eerlijk te zijn, vind ik de locatie wel wat sfeerloos. Jammer dat we van de vorige locatie weg moesten, want daar had je nog de ruimte om met elkaar wat na te analyseren zonder dat je anderen stoorde.

Zijn er nog spelers op de club waar je liever niet tegen speelt?
(Na lang denken) Nou eigenlijk Kees Nagtegaal.

Waarom?
Daar heb ik nog nooit van gewonnen…

Memorabele clubleden?
Dat was toch wel graaf Van den Bosch. Dat was echt een grote persoonlijkheid en hij kon er wat van. Zijn adagium was: ‘Je komt om te schaken’.

Hoe zie je de toekomst van het HSG; gaan we het nog 125 jaar volhouden?
Eerlijk gezegd zie ik de toekomst een beetje somber in. Van onderaf komt er toch weinig aanwas. Ze zijn er wel, de jongeren, maar je weet van tevoren dat ze als het ware tijdelijk aanwezig zijn. Als ze ouder worden, waaieren ze uit. Dat komt meestal door studie, maar kan ook door stijging van hun rating komen. Dan zoeken ze hun uitdaging elders. Wat verder opvalt, is dat er weinig spelers in de midden-ratingscategorie zitten.

En die is..
Nou, laat ik zeggen tussen de 1800 en de 2200. Dus dan speel je veel tegen dezelfden. Als er geen sponsor komt, komt er ook geen topteam meer.

Is dat erg?
Een beetje wel natuurlijk. We waren toch jaren een begrip, maar van de andere kant blijft het belangrijkste dat we een club zijn waar gespeeld kan worden.

Wie is eigenlijk je favoriete schaker?
Dat waren er eigenlijk twee, namelijk Botwinnik en Petrosjan. De eerste vanwege zijn strategisch inzicht, zijn groot analytische vermogen. Door veel van hem te lezen heb ik mijn analytisch vermogen ontwikkeld om afgebroken stellingen te bekijken. Petrosjan waardeer ik om zijn soms onnavolgbare strategische inzichten en vondsten.

Jij was toch ook een expert in een bepaalde opening, i.i.g. speltype?
Dat is misschien wel het tweepaardenspel, geïnspireerd door Fritz.

Welk nummer? Fritz9 misschien?
Nee, niet dat programma. Ik bedoel die Duitse schaker uit de twintigste eeuw.
(vervolgens komt er een zettenverloop met uitleg dat ik eerlijk gezegd even gemist heb, maar dan laat je je als interviewer natuurlijk niet kennen…HJ)

Doe je ook aan internet schaken? Nu je toch met pensioen bent?
Nee, daar heb ik eerlijk gezegd geen tijd voor. Gepensioneerd of niet, ik ben nog veel te veel bezig met artikelen en onderzoeken over de wiskunde.

Nou, oké dan. Dan heb ik hier een diagrammetje waar je je snelle analyses op los mag laten. Let wel: een grootmeester ziet dat binnen de minuut.

Rob deed er zes minuten en zes seconden over.

Interviewer: Huib Jochems